Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 

Voorbereiding Heilig Avondmaal (1 Korinthiërs 12: 27)
Preek afkomstig van Ds. D. de Jong van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Niezijl/Grijpskerk.

       

Liturgie

Ps.16:1,2
Ps.16:3,4,5
1Kor.12,4-31A
Ps.119:24,26,27
1Kor.12,27
Lied 242:3,4,5 (melodie: Gez.35)
Lied 321 (C)

Preek

Gemeente van Jezus Christus,

Ik ben de hand en jij de voet.
Wij zijn allebei nodig.
Wat ik niet kan kun jij juist goed.
Niemand is overbodig.

Zo begint een kinderliedje over onze tekst. Op een treffende manier wordt onder woorden gebracht hoe in het menselijk lichaam de verschillende lichaamsdelen elkaar aanvullen. Met een hand kun je schrijven, zwaaien, een schouderklopje uitdelen, timmeren, schroeven in een balk draaien en nog veel meer. Een hand is een multifunctioneel lichaamsdeel. Maar met één hand begin je niet zoveel. Alleen Lucky Luck, de arme, eenzame cowboy, kan een sjekkie draaien met één hand. Maar de meest mensen moeten daarvoor beide handen uit de mouwen steken. Ze zeggen wel eens dat onhandige mensen twee linkerhanden hebben. Maar met twee rechterhanden ben je net zo goed onthand. Je hebt een linker- en een rechterhand nodig om echt iets te kunnen maken. Hoewel, je hebt ook mond- en voetschilders. Maar wel eens van een blinde schilder gehoord? Al zouden ze bestaan, om daarvan gehoord te hebben moet je wel oren aan je hoofd hebben. Wil elk lichaamsdeel dus doen waar het voor gemaakt is, dan heeft het de hulp van andere lichaamsdelen nodig.
Denk je eens in dat je één van je lichaamsdelen moest missen. In sommige gevallen is dat niet zo'n ramp. Verstandskiezen kun je missen als kiespijn. En als je blinde darm of je galblaas verwijderd is, dan kun je daar net zo goed om doorleven. Maar ik heb me wel eens afgevraagd: Welke lichaamsdelen zou ik eventueel wel kunnen missen? Ik geloof dat ik het het ergste zou vinden als ik niet meer zou kunnen orgelspelen. Dus mijn handen en mijn gehoor kan ik in elk geval niet missen. Maar zonder voeten wordt het ook al moeilijk. En stel dat ik niet meer zou kunnen zien: de bergen, de zee, mijn meisje. Dat zou afschuwelijk zijn. Je moet er niet aan denken. Voor mij is dat nog theorie. Maar onze gehandicapte broeders en zusters ervaren deze moeite aan den lijve. Zij weten uit ervaring: hand en voet zijn beiden nodig.
Het liedje heeft het alleen niet over het menselijk lichaam. Want het zingt: Ik ben de hand en jij de voet?. Oftewel: zoals de hand de voet nodig heeft, zo heb ik jou nodig. Want wat ik niet kan kun jij juist goed. Niemand is overbodig.
Dat is best wel een verrassende vergelijking. Tenminste, als je haar voor het eerst hoort. Maar voor de meesten van ons is de verrassing van dit beeld er al wel af. Wij weten waarschijnlijk allemaal wel dat het beeld van het menselijk lichaam slaat op de kerk. En mochten we dat al vergeten, dan worden we er elke avondmaalsviering wel weer aan herinnerd. Want ?is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood?, schrijft Paulus 3 hoofdstukken eerder. Voor wie deze woorden voor het eerst leest gaan ze waarschijnlijk wel erg snel. Zij zullen de sprong van het lichaam van Christus via het brood dat wij breken naar de gemeente als het lichaam van Christus niet zo gauw kunnen meemaken. Maar voor de meesten van ons is het gesneden koek. Paulus bedoelt dat allen die bij de viering van het avondmaal deel krijgen aan het lichaam van Christus, dat aan het kruis voor onze zonden gebroken is, op hun beurt het lichaam van Christus vormen. Het avondmaalsformulier trekt daaruit de conclusie: ?Daarom zullen wij allen, die door waar geloof in Christus ingelijfd zijn, samen één lichaam zijn. Omdat Christus, onze geliefde Heiland ons eerst zo uitnemend heeft liefgehad, moeten wij ook elkaar liefde bewijzen en dat niet alleen met woorden, maar ook door onze daden?. Om in de beeldspraak van het liedje van Elly en Rikkert te blijven: Als wij werkelijk het lichaam van Christus zijn, dan moeten wij elkaar ook tot een hand en een voet zijn.
Gesneden koek? Misschien denkt u wel: ouwe koek! Leuk liedje, maar wel altijd hetzelfde liedje. Sommige passages uit 1Kor.12 kunnen we zelfs wel dromen. B.v.: ?Als één lid lijdt, lijden alle leden mee?. En je denkt: ?Ja, zou het eigenlijk moeten. We zouden wat meer met elkaar moeten meeleven. Maar dat heb ik mezelf al zo vaak voorgenomen. En wat is ervan terecht gekomen??
1Kor.12 is zo bekend, dat het niet meer inspireert. En als je dan ziet dat over dat overbekende hoofdstuk vanmorgen gepreekt wordt, dan komt er een wat verlammend gevoel over je. We zullen wel weer horen hoever we als gemeente nog onder de maat van 1Kor.12 gebleven zijn. We zullen wel weer aangespoord worden om meer met elkaar mee te leven, meer naar elkaar om te zien, elkaar meer op te zoeken. Meer, meer, meer. Het is ook nooit goed. Doodmoe, doodziek word je ervan.
Een ander is juist blij dat er weer eens over het ene lichaam en de vele leden gepreekt wordt. Want wat het avondmaalsformulier daarover zegt, je wordt er alleen maar cynisch van. Schone theorie. Maar de praktijk is anders. Terwijl je juist zo'n schreeuwende behoefte hebt aan wat aandacht, belangstelling, meeleven, bezoek, hulp. Dus dominee, zegt het ze maar weer eens. Hoe het is en hoe het zou moeten.

Die uitnodiging ga ik graag op in. Eerst maar over hoe het is. Maar waar moet ik het dan over hebben? Dat de schone theorie in de praktijk vaak smerig tegenvalt? Moet ik het dus niet gaan hebben over de schone theorie, maar over de smerige praktijk? Dan had mijn tekst moeten luiden: Gij nu zoudt het lichaam van Christus moeten zijn en ieder voor zijn deel leden?. Maar dat staat er niet. Er staat: Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden?.
Paulus richt die woorden niet aan de eerste gemeente in Jeruzalem. U weet wel, dat is die gemeente waarover we in de Schrift lezen: ?En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. () Er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte? (Hnd.2,32-25). Van zo'n modelgemeente zou je je voor kunnen stellen dat de apostel schreef: Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden?. Maar hij schrijft deze woorden juist aan een gemeente die aan het beeld van de eerste gemeente nou niet bepaald beantwoordde: de gemeente van Korinte. Een gemeente die bestond uit allemaal clubjes van gelijkgezinden. Fanclubjes om precies te zijn. De één liep weg met Paulus. Een ander met Apollos. Weer een ander met Petrus (1,12). Niet alleen naar aanleiding van de vraag wie nou hun favoriete evangelieprediker was, was er rivaliteit in de gemeente van Korinte ontstaan. Ook de gaven van de Geest zorgden voor een scheiding der geesten. Met die gaven waren zij rijk bedacht. We lezen van mensen die de gave van de profetie hadden, van mensen die de gave van de genezing hadden, van mensen die de gave hadden in tongen te spreken. Als wij dat zo lezen, dan komt er over ons een gevoel van: ?Tjonge jonge. Dan hadden ze daar geen klagen?. Of: Wat zouden die mensen een boel voor elkaar kunnen betekenen?. Maar dat gevoel hadden de Korintiërs niet. Die hadden alleen oog voor hun eigen gave. Zij zeiden niet: Wat ik niet kan kun jij juist goed. Wij zijn allebei nodig?. Maar: Wat jij niet kunt kan ik juist goed. Jij hebt mij dus nodig?. Tegen deze groep los zand, tegen dit zootje ongeregeld zegt Paulus: Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden?.
Dat lijkt ons op het eerste gezicht maar een merkwaardige remedie. Wij zouden zeggen: de zweep erover. Nu, tussen de regels door hoor je Paulus ook wel kritiek uiten op de praktijk in Korinte. Maar hij doet dat op een heel fijnzinnige manier. Als de apostel schrijft: Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden?, dan zit het venijn in de staart: ?en ieder voor zijn deel leden?. Want het deel bestaat bij de gratie van het geheel. Het deel is niks zonder het geheel. Dat zou hetzelfde zijn als dat het oor zijn neus ging ophalen voor het oog. Zo van: ?Daar hoor ik dus niet bij. Ik neem de benen?. Moet-ie wel een neus en benen hebben natuurlijk. Maar afgezien daarvan, dat zou me een mooie grap worden. Stel je voor: een oor wil de straat oversteken. Maar omdat het de band met het oog doorgesneden heeft, kan het niet eerst uitkijken, links, rechts en nog een keer links. Het wordt dan ook meteen overreden. Het beeld dat Paulus oproept van een oor dat zegt: ?Omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam? is zo absurd, dat het op je lachspieren werkt. Als de Korintiërs er echter ook om moeten lachen, dan lachen ze om zichzelf.
De apostel gebruikt het beeld van het lichaam om te laten zien hoe elk lid afhankelijk is van de andere leden. Hij schrijft zelfs: ?Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam welke het zwakst schijnen noodzakelijk?. Je hand kan wel vuist maken. Je longen kunnen dat niet. Die gaan maar zwakjes open en dicht. Toch kun je zonder hand wel leven. Maar zonder longen niet. Zo is die sterke hand en die uitgestrekte arm afhankelijk van dat kwetsbare orgaan, die zwakke long.
Maar het omgekeerde is ook waar. Jij bent niet alleen afhankelijk van anderen. Anderen zijn ook afhankelijk van jou. Want de apostel schrijft: ?Juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, doch onze edele leden hebben dat niet nodig. God evenwel heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen?. Het moge duidelijk zijn dat Paulus het hier heeft over onze schaamdelen. Ik vind het prachtig hoe Paulus uit het feit dat we die bedekken de conclusie trekt dat we ze dus meer eren dan onze edele delen. Maar ik heb nog nooit een preek gehoord waarin bij deze opmerkelijk observatie van de apostel de vinger gelegd werd. Terwijl Paulus de Korintiërs natuurlijk eens zo naar hun schaamdelen laat kijken, omdat zij in de gemeente net zo met hun schaamleden moeten omgaan als zij in hun lichaam met hun schaamdelen omgaan. Maar hij zegt dat niet. Hij beperkt zich tot een fijnzinnige meditatie over hoe het in het menselijk lichaam toegaat. Hij zegt nergens dat het dus zo ook in de gemeente, het lichaam van Christus, moet toegaan. Nee, hij wekt zelfs de suggestie dat het in het lichaam van Christus net zo toegaan als in het menselijk lichaam. Want zijn slotsom is niet: Zo moeten jullie ook lichaam van Christus zijn. Maar: ?Jullie zijn het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden?. Terwijl hij wist dat het in Korinte niet zo harmonieus toeging als in zijn schets van het menselijk lichaam. Zeker, als Paulus in herinnering brengt dat er ook lichaamsdelen zijn waar je je voor schaamt, dan zullen de Korintiërs dat meteen hebben beaamd. ?Die, die kan niet eens in tongen praten. Moet dat een volwaardig lid van de gemeente zijn? Daar kun je toch niet mee voor de dag komen?? Maar als Paulus schrijft dat je je schaamdelen juist met groter eer behandelt dan je edele delen, dan zal dat in Korinte alleen maar vervreemding opgeroepen hebben.
Dat gaat ons toch net zo? Ook wij hebben schaamleden. Mensen van wie je denkt: Die moeten we niet in een commissie hebben. Want zo iemand is je niet tot lust, maar tot last?. Maar afgezien van die leden die je kunt missen als je blinde darm, is het nou werkelijk zo dat elk lid van de gemeente afhankelijk is van alle andere leden? In zijn algemeenheid kun je het er misschien nog wel mee eens zijn dat we elkaar nodig hebben. Wat ik niet kan kun jij juist goed. Wij zijn allebei nodig. Je hebt denkers en je hebt doeners. Mensen die kunnen vertroosten met goed gekozen woorden en mensen die kunnen vertroosten met goed gekozen daden. Maar Paulus lijkt niet de mensen die troost kunnen geven het belangrijkste te vinden in de gemeente, maar zij die troost nodig hebben. Niet de helpers, maar de hulpbehoevenden zijn het meest noodzakelijk. Dat zegt Paulus toch in vers 22: ?Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk?. In het menselijk lichaam is dat waar. Zonder hand kun je wel leven. Zonder longen niet. Maar voor de gemeente gaat dat toch niet op? Dat zou betekenen dat die aan bed gebonden zieke belangrijker is voor de gemeente dan de ouderling die er aan zijn of haar bed zit. De twijfelaars zijn belangrijker dan zij die de zekerheid des geloofs kennen. De onbekeerden belangrijker dan de bekeerden. Dat is toch de omgekeerde wereld?

Ik denk dat Paulus dat inderdaad wil zeggen. De kerk is de omgekeerde wereld. In de wereld zijn de sterken beeldbepalend. Maar in de kerk de zwakken. De kerk herken je aan de wijze waarop zij met haar zwakken omgaat. Dat is het kenmerk van de ware kerk.
Dat staat zo niet in de belijdenis, dominee. Die noemt 3 stoere kenmerken van de ware kerk: het onderhouden van de zuivere prediking van het evangelie, het onderhouden van de zuivere bediening van de sacramenten en het oefenen van de kerkelijke tucht. Toch zijn die drie kenmerken zo stoer niet. Inderdaad is de zuivere prediking van het evangelie volgens art.28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis het eerste kenmerk van de ware kerk. Maar wat is de kern van het evangelie? Toch wat de Here Jezus zelf zegt in Mc.10,42-25: Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen?.
Die kern vieren we volgende week aan de avondmaalstafel. Maar zou er werkelijk sprake zijn van zuivere bediening van de sacramenten als we wel willen gedenken dat de Zoon des mensen niet is gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen, maar Hem niet willen volgen in groot zijn door dienaar te zijn en in eerste zijn door slaaf te zijn?
En wat betreft het oefenen van de kerkelijke tucht, dat is niks anders dan het voorschrift van Judas, de broeder des Heren, opvolgen: ?Weest barmhartig jegens sommigen die twijfelen, redt hen door hen uit het vuur te rukken? (Judas 22.23a).
Zo stoer zijn die kenmerken van de ware kerk dus niet. De ware kerk is een toonbeeld van nederigheid en barmhartigheid. De ware kerk is een toonbeeld van Christus.

Het is heel opvallend dat de apostel Paulus in vers 12 niet schrijft: ?Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook de gemeente?, maar: ?zo ook Christus?. Misschien vindt u dat helemaal wel niet zo opvallend. De gemeente is toch het lichaam van Christus? Zeker. Want ?is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood?. Maar is de gemeente nou het lichaam van Christus omdat het avondmaal op Christus lijkt of omdat de gemeente op Christus? Wordt het lichaam van Christus nou alleen maar zichtbaar in de tekenen van brood en wijn, of ook in hen die die tekenen tot zich nemen? Het heilig avondmaal is een stijlvol feest. Maar dan moeten we wel in stijl blijven. Anders lijkt het nergens op.

Amen.

Kopieerrechten: © copyright Kerken.com, 2002 - 2010.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk de predikant hiervan op de hoogte te stellen. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.
 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2014 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis